Zoeken

medisch-banner.jpg

Bloedonderzoek

Door regelmatig verschillende bloedonderzoeken te doen, bepaalt de arts wat er moet gebeuren en krijgt zo een beeld van de conditie van de patiënt.

img-bloedonderzoek.png

Bepalen van het aantal rode en witte bloedcellen


Het eerste onderzoek dat gedaan wordt, is een bloedtelling. Dit betreft:

  • een telling van de rode- en witte bloedcellen
  • bepaling van het hemoglobinegehalte
  • de bepaling van het aantal bloedplaatjes in een bepaalde hoeveelheid bloed


De rode bloedcellen worden geteld per kubieke millimeter bloed. Het normale aantal is voor vrouwen 4,2 tot 5,4 miljoen en voor mannen 4,4 tot 6 miljoen.
Als een patiënt bloedarmoede door een tekort aan ijzer heeft, dan bevindt zich een normaal aantal rode bloedcellen in het bloed, maar zit er minder hemoglobine in (hemoglobine is een eiwit, dat zorgt voor het transport van zuurstof en koolstofdioxide in het bloed).


Men kan ook het aantal jonge (nieuw gevormde) rode bloedcellen, genaamd reticulocyten, tellen. Het aantal reticulocyten bedraagt normaal 1% van het totale aantal rode bloedcellen. Wanneer het lichaam behoefte heeft aan meer rode bloedcellen, gaat het beenmerg de productie van de reticulocyten verhogen.


De witte bloedcellen kunnen geteld worden als groep, maar wanneer er gedetailleerdere informatie nodig is kan er een telling van de specifieke typen witte bloedcellen uitgevoerd worden.


Bloedplaatjes (trombocyten) zorgen voor het stollen van het bloed. Het normale aantal bloedplaatjes ligt tussen 150 tot 450 miljoen per milliliter bloed. Als de gemeten waarden onder of boven het normale bereik liggen, wijst dit op een bloedaandoening.


Voor het beoordelen en het tellen van de bloedcellen gebruikt men volbloed. Dit is onstolbaar gemaakt bloed dat niet wordt gecentrifugeerd.

Stollen

Als men bloed onderzoekt op rode bloedcellen, moet men voorkomen dat het bloed stolt. Dit voorkomt men, door in het buisje waarin het monster terecht komt een antistollingsmiddel (b.v. heparine) te doen. Doet men dit niet, dan zal het bloed binnen 2-10 minuten vanzelf gaan stollen. Afhankelijk van het bloedonderzoek dat gedaan moet worden, bepaalt men of er in het afnamebuisje een antistollingsmiddel moet zitten of niet.

Centrifugeren

Vaak is het nodig de cellen te scheiden van de bloedvloeistof. Dit gebeurt door een centrifuge. Men plaatst het buisje bloed in de centrifuge. Na het centrifugeren zijn de bloedcellen naar het onderste gedeelte van de buis geduwd, de gelige bloedvloeistof zit boven in het buisje. Als er gecentrifugeerd is met gestold bloed, noemt men deze bloedvloeistof: serum. Centrifugeert men echter een buis onstolbaar gemaakt bloed, dan noemt men de bloedvloeistof: plasma.


De uitkomst van een bloedonderzoek wordt in de vorm van een getal of ook wel percentage weergegeven. Dit noemt men de zogenaamde referentiewaarden. Deze waarden zijn wel afhankelijk van bepaalde factoren zoals leeftijd, geslacht, gewicht, te volgen dieet etc.