Zoeken

medisch-banner.jpg

Hoe gaat een stamceltransplantatie in zijn werk?

De voorbereiding bestaat uit:

  • Een medische keuring om je conditie te bepalen
  • Het voorschrijven van antibiotica
  • Bezoek aan de tandarts om infecties uit te sluiten
  • Het aansluiten van een hickman-katheter. Zo hoef je niet constant geprikt te worden en kan er gemakkelijk bloed worden afgenomen of medicijnen worden toegediend.

Bekijk de film over stamceltherapie op de website van Hematon >>

Twee methoden om stamcellen af te nemen

  • uit het beenmerg
  • uit het bloed

Het is afhankelijk van de ziekte of de voorkeur wordt gegeven aan beenmerg dan wel aan bloed als bron van de stamcellen. Natuurlijk heeft de donor het laatste woord over de keuze.

Stamceldonatie uit beenmerg

Het beenmerg (vermengd met bloed) wordt afgenomen door middel van prikken met holle naalden in de achterzijde van het bot van het bekken (bekken-beenderen). Er worden minimaal twee tot maximaal zes gaatjes in de huid gemaakt. Via deze gaatjes wordt echter meerdere keren in het bekkenbot geprikt. Twee à drie procent van alle moedercellen in het beenmerg wordt bij donatie opgezogen. Binnen twee weken zijn deze cellen weer aangegroeid. De ingreep duurt ongeveer een uur en gebeurt bij voorkeur onder volledige narcose. Een ruggenprik is echter ook mogelijk. Afhankelijk van een aantal factoren geef je van tevoren een halve liter bloed die je na de donatie terugkrijgt.

Stamceldonatie uit bloed

Een andere manier van stamcellen afnemen noemt men perifere stamceldonatie. Deze manier van stamcellen afnemen wordt sinds enkele jaren toegepast en is inmiddels de meest gebruikelijke procedure bij familiedonors. De gunstige ervaringen van deze methode bij familiedonors hebben ervoor gezorgd dat deze ook bij onverwante donors wordt toegepast.

Na toediening van een stamcelstimulerende factor (G-CSF) komen de stamcellen in de bloedbaan terecht. Op deze manier kunnen de stamcellen via een speciale bloedafname worden afgenomen en vervolgens toegediend aan de ontvanger. Deze methode kent een aantal bijwerkingen en een gering risico. Het belangrijkste voordeel is dat de donor niet onder narcose hoeft. Daarbij heeft deze procedure soms ook voordelen voor de ontvanger.

De bijwerkingen bestaan vooral uit de bijwerkingen van de G-CSF, die het meeste lijken op griepachtige verschijnselen. Het hormoon kan in een klein percentage van de gevallen bijvoorbeeld miltvergroting of allergische reacties veroorzaken. Het is afhankelijk van de artsen van de ontvanger of een van beide methodes de voorkeur heeft. De donor heeft altijd het laatste woord over wat hij/zij wel of niet wil ondergaan.

Voorafgaande aan de afname krijgt de donor gedurende 4 - 5 dagen de “groeifactor” G-CSF (Granulocyte Colony Stimulating Factor) toegediend. G-CSF komt bij gezonde mensen in kleine hoeveelheden in het lichaam voor, vooral in het beenmerg. Het zorgt ervoor dat wij voldoende stamcellen en witte bloedcellen hebben. De G-CSF die wordt toegediend is niet uit menselijk of dierlijk materiaal afkomstig, maar wordt op biotechnologische wijze gemaakt.

Door extra G-CSF toe te dienen worden de stamcellen in het beenmerg aangezet zich sneller te vermeerderen en gaan ze bovendien voor een deel - als stamcel nog - naar het bloed, voordat ze rijpe, volwassen bloedcellen zijn. Na 4 tot 6 dagen zijn er meestal voldoende stamcellen in het bloed aanwezig voor de afname.

Laatste inzichten

Beenmerg als stamcelbron

  • met name bij kinderen minder chronische Graf-versus-Host- Disease (GvHD)
  • ook volwassenen beter +/- 10 procent minder acute en chronische GvHD
  • vertaalt zich in betere overlevingskans

De afname

Op de dag van de stamcelafname wordt de donor verwacht op de hemaferesekamer. Hier wordt bloed bij de donor (uit de elleboogader) afgenomen en door een machine gevoerd. De machine is in staat vooral de stamcellen uit het bloed af te zonderen, waarna het bloed weer via een naald in de ader van de andere elleboog aan de donor wordt teruggegeven. Deze afname duurt 4 - 6 uur. Soms lukt het niet in één keer voldoende stamcellen af te nemen en volgt de volgende dag nog een afname.

Behandeling voor de transplantatie

Voordat de werkelijke stamcellen worden toegediend, wordt de ontvanger behandeld met een intensieve chemotherapie en/of radiotherapie. Het doel is zoveel mogelijk verkeerde cellen te vernietigen en plaats te maken voor de toe te dienen stamcellen. Natuurlijk heeft deze therapie de nodige bijwerkingen, maar deze kunnen per persoon verschillen. Ook wordt als voorbehandeling soms een hoge dosering ATG-kuur gegeven in combinatie met een chemokuur (cyclofosfamide) en prednison. Deze kuurt duurt 4 dagen. De ontvanger heeft hierna geen beenmergcellen en geen immuunsysteem meer. Er wordt per persoon bekeken wat de beste behandeling is.

De transplantatie

Ongeveer na 1 tot 3 dagen na afloop van de hoog gedoseerde chemotherapie (of na de ATG-kuur) vindt de transplantatie plaats. De leukocyten-transplantatie zelf is een eenvoudige ingreep. Het lijkt op een gewone bloedtransfusie en neemt ongeveer een half uur in beslag. Als het goed is, vinden de stamcellen via de bloedbaan hun weg naar het beenmerg in de botten en gaan bloedcellen aanmaken. Als de transplantatie is gelukt duurt het meestal 14 dagen voordat de stamcellen aanslaan. In deze tussentijd wordt het tekort aan rode bloedcellen en bloedplaatjes aangevuld door transfusies.

Resultaat, leeftijd en conditie belangrijke rol

Een beenmergtransplantatie is een zware behandeling en kan alleen uitgevoerd worden bij relatief jonge mensen, meestal niet ouder dan 55 jaar. Transplantatie slaat aan bij de overgrote meerderheid van de ontvangers. Soms slaat het beenmerg niet aan, of infecties en andere complicaties treden op. Na een beenmergtransplantatie heeft de ontvanger de bloedgroep van de donor overgenomen.

Vooral bij allogene transplantaties verblijft men in een isolatiekamer. Mensen die verkouden zijn of een andere infectie hebben, worden verzocht geen bezoek af te leggen. In het algemeen zullen de speciale maatregelen bij een beenmergtransplantatie drie tot vier weken duren, bij een stamceltransplantatie kan dit korter zijn. Bij een autologe transplantatie hoef je vaak niet geïsoleerd te worden verpleegd.

Hoe kan je zien of de transplantatie geslaagd is?

Op zeker moment zijn er weer nieuwe witte bloedlichaampjes (leukocyten) in het bloed. De vraag is dan of deze afkomstig zijn van de donor of onverhoopt toch nog van de ontvanger. Dit wordt met behulp van een zogenaamd chimerisme-onderzoek bepaald. Voor dit onderzoek wordt bloed afgenomen zodra er voldoende witte bloedlichaampjes in het bloed aanwezig zijn. De uitslag is na enkele dagen tot een week bekend. De uitslag van het chimerisme onderzoek laat zien of het transplantaat aangeslagen is of niet. Bijna altijd is de eerste chimerisme uitslag goed, maar dat wil zeker nog niet zeggen dat de transplantatie is geslaagd. In een later stadium kunnen de eigen cellen alsnog de overhand krijgen.